Zwartrijders (Verhaal van de maand)

Mijn ov-chipkaart brandt in mijn zak met een onacceptabel laag saldo van 9 euro en 64 cent, een rede voor de incheckpoortjes om me met een verontwaardigd gepiep te weigeren. Vanwege de noodzaak om de Intercity naar Schiphol te halen, die ongeduldig ronkend staat te wachten op het perron, sneak ik achter een slanke, kale man aan door het poortje naar binnen. Het ding bespeurt mijn wangedrag en begint nijdig te jengelen. Ik negeer het, hopend dat niemand op me let. Er slaan wel eens vaker poortjes alarm, soms ook omdat ze stuk zijn, dus wie weet besteedt niemand er aandacht aan. Ik volg de man met wie ik zonder zijn medeweten station Hilversum binnen ben gelift; hij gaat naar hetzelfde spoor als ik. Mijn ogen zijn gericht op zijn zwarte rugzak, die traag meebeweegt op het ritme van zijn voetstappen. De roltrap voert ons naar boven, en daar, op het drukke perron aangekomen, voel ik ze. De lucht is er statisch van, van hun starende, beschuldigende ogen. Ik zie ze niet, ik voel ze. Indringend en bijna tastbaar elektriseren ze de lucht die ik inadem.

In de trein zoek ik een plaatsje in de tweede klas: laat ik het maar niet erger maken dan het is. Ik zit naast een grijzende vrouw, die het tafeltje in de rugleuning van de stoel voor haar heeft uitgeklapt, en haar laptop er op heeft uitgestald. Ze ziet er niet uit alsof ze het rijtuig snel zal verlaten. Waarschijnlijk rijdt ze mee tot aan Schiphol, net als ik. Ik voel me bijna veilig tussen de in hun laptops en telefoons weggedoken mensen. Ik val niet op, hier niet. Maar twee stations hoef ik mee te rijden, dan ben ik er al. Dit moet goedkomen!

De trein maakt een schommelende beweging wanneer die van spoor wisselt. Het treinstel kraakt zacht maar vervaarlijk, en er gaat een onverwachte trilling doorheen. Alsof het ding het koud heeft gekregen en al rillend de kilte op afstand probeert te houden. Nog een trilling. Wat bizar dit, dit hoort toch niet te gebeuren? Alle lichten in de coupé doven plotseling. Mijn medepassagiers lijken totaal niet onder de indruk van deze gebeurtenissen. De telefonerende man aan de overkant van het gangpad praat onverstoord door, en het hondje bij de voeten van de vrouw tegenover hem, slaapt door alsof er niets aan de hand is. Of nee, toch niet. Het beestje richt zich op, blaft één keer hoog en schel en kijkt me dan recht aan.

“Wat is er moppie?”, vraagt zijn baasje. Op datzelfde moment klinkt er een koude, robotachtige stem uit de speakers in het plafond.

“Meneer van Wijck, ik weet dat u meerijdt zonder geldig vervoersbewijs. Ik pik dit niet!” Ik verstijf. Dat is mijn naam die omgeroepen wordt. Hoe weten ze mijn naam?

“U zult dan ook gestraft worden. Geen genade, geen genade,” dreunt de stem emotieloos door de coupé. Het hondje begint luidkeels te janken. De vrouw kijkt stomverbaasd naar haar troeteldier. Ik begin onbedaarlijk te rillen. Allen die hond en ik kunnen de stem horen, de lichten in de trein zien flikkeren. Zo lijkt het ten minste. Nog een flinke schommeling en het lijkt alsof we omhoog gaan.

“Geen genade, geen genade, geen genade!” Er zijn grotere krachten aan het werk. Dit is geen menselijke stem, geen conducteur die me toespreekt. Een hoge, schelle fluittoon komt uit de speakers…

Ik sta aan de rand van het spoor. Een laaghangende mist kan niet voorkomen dat ik de trein zie aanstormen. Er is niemand. Ik spring.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *