Tranen in de wind (Verhaal van de maand)

Gerben wist dat hij achter spoken aanjoeg. Het had geen zin, hij verdeed zijn tijd hier. Een klein, rationeel deel van zijn verstand dat niet verdoofd was door ellende, schreeuwde hem toe dat hij hier weg moest gaan, maar hij kon zich er simpelweg niet toe zetten. Als een standbeeld zat hij daar op de rand van een grote, stenen bloembak. De constant bewegende draaideuren aan de voorkant van het gebouw hielden zijn blik vast, terwijl ze drommen studenten naar binnen en naar buiten voerden. Rond, rond en rond gingen de deuren. Er was geen begin en geen einde, de draaideuren draaiden rond. En hij zat er naar te kijken alsof hij een wonder aanschouwde, in plaats van een alledaags stukje technologie. Hij wachtte met een langzaam uitdovende vonk van hoop in zijn hart, totdat de deuren hem gunstig gezind waren en een zeker persoon op het plein uit zouden spuwen. Terwijl hij daar zat, hopeloos wachtend, voelde hij de aanwezigheid van tientallen onbezorgde studenten om hem heen. Het nare gevoel bekroop hem, dat ze hem bekeken, elkaar aanstootten en fluisterden, maar nee, natuurlijk niet. Een hogeschool was net als een stad, zo veel mensen dat iedereen op zichzelf werd en alleen oog had voor de eigen bezigheden of die van het vriendengroepje waartoe ze behoorden. Hij zou zich veilig moeten voelen tussen al deze onverschillige jonge mensen, maar dat was niet het geval.

En toen… een reflectie van licht. Het getemperde licht van de oktoberzon dat weerkaatste op zilverblond haar. Een weerkaatsing die hij maar al te goed kende. Daar liep ze, Amy. Stralend en met rechte rug als altijd. Zelfs vanaf deze afstand kon hij ieder detail van haar zien, terwijl ze parmantig, aan de arm van één van haar vriendinnen, richting de ingang van het gebouw liep. Een jurk zo rood als vers bloed, haar huid romig en stralend, zonder dat er een smetje of wondje te bekennen was, haar ogen… Nee, die kon hij niet zien, want hij had alleen zicht op haar achterkant. Gerben nam ieder detail van Amy in zich op, als een spons die zich volzuigt met water. Hij voelde hoe zijn hart genas en verder openscheurde op hetzelfde moment. Ze zeiden dat het leven hard was, maar er zijn dingen harder dan het leven. Dingen waarvan je denkt dat ze bij je horen, die op het eerste gezicht ontsnappingsroutes lijken, maar uiteindelijk lokken ze je in de val en raken ze je diep in je ziel.

Hij wist beter. Toch nam hij onbewust een besluit. Voor hij het wist was hij opgesprongen en trok hij een sprintje naar de draaideuren. Draaien, de toegangshal in, de roltrap, lange gangen, deuren zonder betekenis, borden en aankondigingen zonder betekenis. Hij rende, terwijl de wereld om hem heen wazig werd. Hij rende zonder op of om te kijken, mensen opzij duwend, die hem vloekend nariepen. Gerben hoorde het niet. Zijn geest haastte zich voor zijn lichaam uit. Een hoek om, een trap op, een zware deur door. Een kille bries die hem opwachtte aan de andere kant. Hij rende over een onoverdekte galerij die de twee grote gebouwen met elkaar verbond. En plotseling verscheen ze weer in zijn blikveld. Ze stond daar, alleen. De hordes vriendinnen die net nog met haar mee liepen, waren verdwenen. Ze stond daar, midden op de galerij, met haar rug naar hem toe. Maar toen draaide ze zich om en kon hij haar gezicht zien. Haar ogen waren donker en leeg, geen sprankje herkenning te bekennen. Hij wilde haar toeschreeuwen: “ik ben het, je broer!”, maar waarom zou hij? Mensen zouden hem raar aanstaren, alsof hij tegen lucht praatte. Hij zag haar lippen, bleek blauw in het zwakke zonlicht. Hij zag een glinstering van tranen op haar wangen. Veroorzaakt door de wind? Hij zag haar adem, die witte wolkjes vormden in de lucht. Een wit wolkje, een teken van leven.

Met een schrok komt Gerben weer bijzinnen, zittend op de reling, terwijl achter hem, ver in de diepte, het verkeer raast. Studenten lopen langs en sommigen werpen weldegelijk een blik op zijn flamboyante verschijning. Wat zouden ze van hem denken, die onbezonnen, zorgeloze, blowende en zuipende jongeren? Zouden ze zich afvragen wat die veel te magere jonge man, met de vale huid en gehuld in een veel te groot uniform van de psychiatrische kliniek, in hun domein doet? Gerben ziet de man in de witte doktersjas naderen, en onbewust verkrampen zijn verkleumde handen rond de ijzeren reling. De dokter duwt een paar jonge vrouwen opzij om bij hem te komen, haastig en verontschuldigingen mompelend. Uit zijn mond komen de witte wolkjes, een teken van leven. Wolkjes die Amy, sinds haar aanvaring met een bestelbusje en een half slapende chauffeur, nooit meer zal uitblazen. Hoe koud deze winter ook wordt, geen witte wolkjes voor Amy.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *