Het gouden uur (Verhaal van de maand)

Dit verhaal heb ik geschreven voor de schrijfwedstrijd van Passend Lezen. In december wordt bekendgemaakt of het heeft gewonnen. Wat denken jullie ervan?

*****************************

Een groepje van vier Hollandse jongeren, gezeten rond een gammele kampeertafel voor een stacaravan. Alle licht en leven lijkt zich vanuit de omgeving op deze plaats verzameld te hebben: het nieuwe centrum van deze stille, Hongaarse camping. Blikken bier en zakken knisperende chips gaan rond. Sterke verhalen worden in rap Nederlands over tafel gegooid, terwijl  drank het stel nog verder op lijkt te zwepen. Het groepje lijkt zo hecht, zo compleet, dat een voorbijganger niet zal kunnen vermoeden dat er nog een vijfde Hollandse jongere is. Niemand zal waarschijnlijk kunnen geloven dat een knetterende ruzie het vrolijke gezelschap nog geen uur geleden uit elkaar scheurde, en dat één van hen zich van de rest heeft losgemaakt en nu eenzaam, ver van haar vrienden vandaan, rondzwerft over de donkere camping.

Een felle lichtbundel valt op het slecht geasfalteerde wegdek voor haar. Ze kijkt op haar telefoon met een bezorgde frons tussen haar wenkbrauwen. De batterij is bijna leeg. Nog 11 % te gaan en dan houdt het apparaatje het voor gezien. Dat betekent dat ze dan ook zonder licht zal komen te zitten. Als dat gebeurt zal ze hoogst waarschijnlijk grandioos verdwalen. Ze moet iets verzinnen om dat te voorkomen. Teruggaan naar de groep? Geen optie, daarvoor heeft ze het te zeer verbruit. Ze kan ook niemand bellen omdat ze simpelweg geen bereik heeft in het buitenland. Peinzend houdt ze haar telefoon in de lucht, zodat de ingebouwde zaklamp meer van haar omgeving kan verlichten. Wat ze hiermee wil bereiken begrijpt ze zelf ook niet helemaal. Ze kan niet verwachten dat er zich een oplossing schuilhoudt tussen de tenten en caravans, die als onverschillige toeschouwers langs het pad gegroepeerd staan. Slechts voor enkelen zitten nog mensen, die niet op haar letten. Langzaam, zonder duidelijk doel, loopt ze verder.

Op de rotonde houdt ze opnieuw stil. Er rijden hier geen auto’s, die zijn verboden na tien uur ’s avonds, en er zijn ook nauwelijks mensen op de been. Een restaurantje dat tot laat in de nacht open is, vormt het enige baken van licht. Waarom zijn Hongaren toch zo zuinig met straatverlichting, vraagt ze zich verbitterd af. Toch, het licht in het restaurant is beter dan niets. Rechtop, met meer zekerheid in haar passen dan ze zich voelt, loopt ze het terrasje op en gaat zitten op een kale, houten bank. Tijd om rustig haar fouten te overdenken en opzoek te gaan naar een manier om alles weer recht te zetten. Terwijl de vettige geur van Làngos, een Hongaarse snack, haar overspoelt, denkt ze terug aan hoe dit tripje begon.

Ze reisden met de auto. Hongarije lag 1400 kilometer verderop en het was ruim 15 uur rijden. Ze deden er twee dagen over, met overnachting in een mottig, klein hotelletje aan de Oostenrijkse grens. Om de beurt hadden ze gereden, behalve zij en haar zus Manuela, omdat zij geen rijbewijs had en Manuele het te eng vond om op onbekend terrein en met een volle dakkoffer op de auto te rijden. De rit was absoluut niet saai geweest. Nee, ze hadden de grootste lol gehad. De eerste vier dagen van de vakantie waren dan ook een waar feest. Een aaneenschakeling van zwempartijen, feesten in de kocktailbar en luieren op het strand. Pas deze avond was het misgegaan, toen zij en Manuela… Haar gedachtegang hapert en wordt afgebroken als de bank waarop ze zit een klein stukje omlaag zakt. Ze kijkt opzei, recht in de vragende, donkere ogen van een jongeman die stilletjes naast haar is neergestreken. Ze knikt zwijgend naar hem, zodat hij niet in moeizaam Engels gaat vragen of hij hier wel kan zitten, en draait zich dan weg van hem. Het liefst wil ze in haar eentje wegkwijnen, op een donkere plek waar niemand haar ziet. Het smalle steegje tussen de tattoeshop en een ander restaurantje lijkt hier de ideale plaats voor. Ze staat op, steekt haar hand op naar de vreemdeling en snelt het steegje in.

Ondertussen lijkt de bijeenkomst van haar vrienden voor de stacaravan langzaam tot een einde te komen. Een jongen met lang, rossig haar kijkt op zijn horloge.

“Bijna 12 uur jongens. Als we morgen vroeg op willen voor het waterskiën lijkt het me beter als we nu gaan pitten.” Instemmend gemompel volgt. Met slome bewegingen begint het groepje de spullen op te ruimen. Een tenger meisje met donkere krullen en lichtgroene ogen kijkt plotseling op van waar ze mee bezig is en vraagt met luide stem:

“Weet iemand trouwens waar Michelle is?” Er valt een pijnlijke stilte, terwijl de jongeren elkaar ongemakkelijk aanstaren.

“Het blijft wel mijn zus hoor,” zegt het meisje, terwijl ze met een ongeduldig hoofdgebaar haar haren over haar schouder zwiept. Een jongen met dreadlocks gebaart onverschillig naar de verlaten weg.

“Daar ging ze heen. Ze verdween in de nacht en het laatste wat ik haar heb horen zeggen, is dat we kunnen barsten.”

“Kan me niet schelen,” zegt Manuela koppig.

“Als haar iets overkomt krijg ík de schuld. We gaan haar zoeken.”

Ja, Michelle had zich zeker vereerd gevoeld toen Manuela had aangeboden dat zij met haar en haar volwassen vrienden mee op vakantie mocht. Hun ouders hadden wel nadrukkelijk gezegd dat Michelle nog minderjarig was en dat Manuela goed op haar kleine zusje moest passen. Michelle was ongelooflijk blij geweest. Hoeveel andere leeftijdsgenootjes kregen zo’n buitenkans? Maar ze was ook bang geweest. Vanaf het begin af aan al voelde ze door alle vakantievreugde en vrijheidswaanzin heen de angst dat ze buitengesloten zou worden. De eerste paar dagen gebeurde dit nauwelijks. Natuurlijk, als er cocktails werden gedronken kon ze daar niet aan mee doen en toen Leonie een tattoo liet zetten mocht Michelle niet mee naar binnen van haar grote zus, maar verder was alles prima en gezellig. Helaas, na een paar spetterende vakantiedagen brak er voor de twee zussen een minder fijn moment aan…

“Zou je dit nou wel doen?” Een tik op haar schouder en de vraag, gesteld in Engels met een zwaar Brits accent, halen Michelle met een schrok terug naar het hier en nu. Ze zit weer in het smalle steegje, met haar rug tegen een koude, rood getinte muur gedrukt en met het geruis van het ventilatiesysteem van de tattooshop in haar oren. Naast haar staat de jonge vreemdeling waar ze net nog naast zat. Zo te horen aan zijn accent is het een heuse Engelsman. Normaal gesproken zou ze een gat in de lucht springen. Ze is dol op Engeland en alles wat er bij hoort,  spreekt zelfs het beste Engels in de familie. Maar nu is ze in een grafstemming en bang dat deze Brit toch niet zo vriendelijk is als hij klinkt.

“Wat?,” vraagt ze verward. Hij laat zich naast haar op de grond zakken, waarbij hij zorgvuldig wat afstand tussen hen bewaart.

“Meisjes van jouw leeftijd horen zo laat niet meer op straat te zijn. Zeker niet hier, in Hongarije.” Een lichte glimlach, om zijn woorden wat minder dreigend te maken.

“Wat doe je hier zo laat? Bij wie hoor je? Ik kan je wel terug brengen naar je kampeerplek als je wilt.” Michelle houdt stijf haar lippen op elkaar geklemd. De jongeman buigt lichtjes naar haar toe. In het schamele beetje licht dat het steegje nog weet te bereiken, kan ze een glimmend voorwerp zien dat om zijn nek hangt. Een pistool? Even schikt ze, maar dan beseft ze met een gevoel van opluchting en verbazing dat het een fototoestel is. Ze kan zichzelf er niet van weerhouden te vragen:

“Bent u fotograaf?” De vraag lijkt hem te verrassen en amuseren. Hij knikt.

“Gaat u foto’s van me maken? Werkt u voor een krant?” Hij schudt zijn hoofd.

“Ik ben nog niet echt professioneel in dienst. En ik studeer nog. Maar de wereld om ons heen is zo fascinerend, vind je ook niet? Dus ja, wanneer ik de kans krijg, leg ik die vast. En maak je geen zorgen, ten eerste vraag ik altijd toestemming voordat ik iemand op de foto zet, en ten tweede is het nu veel te donker, zelfs voor mijn supermoderne camera.” Hij glimlacht opnieuw, warm en oprecht. Michelle voelt hoe een beetje van de spanning die ze ervaart sinds hij bij haar is, als boter van haar afglijdt.

Een groepje van vier Hollandse jongeren, bij elkaar gedromd op een kruising van twee wegen, discussiërend met verhitte gezichten bij het licht van hun telefoons. Alle bezorgdheid en paniek lijkt zich vanuit de omgeving op deze plaats verzameld te hebben: het nieuwe onrustige centrum van deze stille, Hongaarse camping. Nu is hen wél aan te zien dat de groep uit balans is. Onrust heeft zich meester gemaakt van de eerst zo zorgeloos ogende jongvolwassenen.

De vijfde loopt ondertussen volledig ontspannen naast de Brit over de camping. Ze naderen het water. Het Balaton meer ligt er als een doffe spiegel bij. Hij laat zich voorzichtig op één van de rotsen aan de waterkant zakken, zij neemt al net zo voorzichtig naast hem plaats op het koude gesteente.  Zijn ogen glanzen als hij haar aankijkt.

“Vertel op.” Ze haalt diep adem en begint:

“Ik had het dus eerst heel erg naar mijn zin met mijn zus en haar vrienden, maar een paar uur geleden kregen wij, mijn zus en ik, knallende ruzie. We slapen namelijk op dezelfde kamer en daar hadden we het over. Ze zij, en ik weet nog steeds niet of ze het meende, dat als ik niet mee was gegaan ze gewoon bij Frits op de kamer had gekund. En dat raakte me dus ik ging er nog al fel op in.” Ze zwijgt en kijkt hem aan. Hij kijkt zonder enige veroordeling in zijn ogen terug en ze gaat verder.

“Dus toen kregen we ruzie. Onze groep kreeg daar lucht van en ze kozen natuurlijk allemaal partij.”

“Voor je zus.” Ze knikt.

“En toen voelde ik me niet veilig meer en ben ik weggevlucht.”

“Logisch,” reageert hij. Even raakt hij haar hand aan, snel en behoedzaam. Ze kijkt op en ziet met verbazing de vaagrode gloed die de horizon kleurt.

“Is het al zo laat? Of, vroeg? Hoe kan dat?” De Brit glimlacht licht.

“Weet je, de mensen spreken altijd van de waan van de dag, iets om zichzelf en elkaar mee voor de gek te houden. Maar ik geloof dat er ook zoiets bestaat als de misleiding van de nacht, een trucje dat de natuur met ons uithaalt om te laten zien dat zij nog steeds de baas is. De bizarste dingen gebeuren vaak ’s nachts, en je hebt ook vast wel eens gehoord van de uitdrukking: dingen die het daglicht niet kunnen verdragen.” Michelle knippert met haar ogen. Dit verklaart nog steeds niet waarom de laatste uren razendsnel aan haar voorbij zijn gegaan.

“De dag en de nacht zijn beiden op hun eigen manier misleidend,” vervolgt hij.

“Maar ik geloof dat er één moment van de dag is…” hij gebaart naar de gloed van de zonsopkomst.

“Eén moment dat alle waarheid blootlegt. Ooit gehoord van het gouden uur?” Ze schudt haar hoofd.

“Dat is het uur vlak na zonsopgang, wanneer alles een prachtige, gouden gloed krijgt. In dat heldere, nog onbezoedelde daglicht krijg je de duidelijkste inzichten. En dan worden trouwens ook de mooiste foto’s gemaakt, maar dat terzijde.” Elegant staat hij op. Nu, in het licht van de opkomende zon, kan ze zien hoe sierlijk hij eigenlijk is. Zijn omtrekken, slanke lichaam, rechte houding en dan dat donkere haar en die nog donkerdere ogen…

“Ga je weg?,” vraagt ze geschrokken, losgerukt uit haar roes.

“Als je zo’n intens moment als het gouden uur meemaakt op het moment dat je de magie ervan zo hard nodig hebt, kun je maar beter alleen zijn.” Met een laatste glimlach over zijn schouder verdwijnt hij uit het leven van Michelle,  haar achterlatend met het besef dat ze zijn naam nu nooit meer te weten zal komen.

 

©           Morena Lam

One Reply to “Het gouden uur (Verhaal van de maand)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *